Route 5 – Franciscus van Assissi

Franciscus

Het is in ’t jaar 1181, dat in het Italiaanse dorpje Assisi ’n pelgrim aanklopt bij een herenhuis, dichtbij de Piazza del Commune. Er is ’n kindje geboren bij madame Johanna, en niemand stuurt ’n pelgrim met lege handen weg als er een kindje is geboren. Hij krijgt een kippenvleugel, eigenlijk bestemd voor de herstellende kraamvrouw en ziet de baby. Dan zegt de pelgrim: “Er zijn vandaag in Assisi twee jongetjes geboren – de een zal een heilige, en de ander een zondaar worden!”

Mevrouw Johanna, die Pica genoemd wordt omdat ze uit Picardië komt, is erg vroom. En ze laat het kleine jongetje bij zijn doop Giovanni noemen, naar Johannes, de man die Jezus doopte in de Jordaan en door hem de grootste onder de mensen was genoemd. Maar als haar man, Pietro di Bernardone, terugkeert van een handelsreis naar Frankrijk, is hij woedend. Zijn beroep is lakenkoopman, en in Champagne heeft hij net prachtige Franse stoffen gekocht; hij dweept met alles wat Frans is. Franciscus zal het worden…de Fransman. Hij ziet zijn zoon al achter de toonbank van de winkel staan, en de mooiste Franse stoffen verkopen aan een uitgelezen klantenkring.

“Er zijn twee jongetjes geboren in Assisi: een heilige en ’n zondaar.”

Op school is de kleine Franciscus een voorbeeldig jongetje. Hij heeft iets nobels, ’n aangeboren charme waarmee hij iedereen voor zich weet te winnen. En als hij ademloos luistert naar het verhaal van Sint Joris, die de verschrikkelijke draak doodt om de koningsdochter te redden, dan droomt Franciscus weg, en weet het zeker: hij zal later ridder worden.

In de maand december wordt er in het Italiaanse dorp Assisi ’n eigenaardig feest gevierd. ’t Feest van de heilige Sint Nicolaas…feest van de nederigheid, maar tegelijkertijd ook het heidense feest van de omgekeerde wereld, Carna Vale. De gezagsdragers worden dienaars, en tot de Kerst wordt er ’n pseudo-bisschop gekozen uit de schoolkinderen. In die drie weken gelden ook de december-vrijheden: eigenlijk is niets verboden. En de omgekeerde wereld wordt al gauw een bandeloze wereld, waarbij op straat wordt gedanst, gedronken en geschranst, terwijl men obscene liederen zingt over Eva die Adam uit het paradijs heeft verjaagd. De jonge Franciscus maakt ’t allemaal mee. En is er niet afkering van om zich ook in de heksenketel van het feestgewoel te storten!

Franciscus mag bij wijze van stage met zijn vader mee op handelsreizen. Langs de kust van Italië, de mooie Provence in, en dan langs de Rhonevallei noordwaarts, naar ’t land van de mist, om dat hele speciale lakenstof te kopen in Gent en in Brugge. Franciscus geniet van deze reizen. Hij zingt de hele dag de liedjes die hij geleerd heeft van de troubadours en de jongleurs. En terug in de winkel ontwikkelt hij zich tot een begaafd verkoper, die het ook de lastigste klant naar de zin wil maken, en hen met een welgemeende gulle lach verleidt tot aankopen ver boven hun budget. ’s Avonds gaat Franciscus, gekleed volgens de laatste mode, uit. “Jij bent onze dominus,” roepen de jongens van ’t dorp, en ‘die jongen van de lakenwinkel’ wijst de weg naar een dansfeest en betaalt de drankjes met een wijds gebaar.

Wat is dat toch, met die Franciscus Bernardone, dat ie altijd maar lacht en dolgelukkig is? Je zou bijna zeggen: zoveel geluk kan niet goed zijn voor een mens. Was ’t omdat hij op feestdagen graag op zijn paard de landgoederen van zijn vader inspecteerde, in zijn mooie kleren, en zich dan die ridder voelde uit het sprookje van Sint Joris en de Draak? Zijn vrienden weten het wel: 15 jaar oud, en zakken vol met goud! Ja, het gaat er even hard weer uit. Want Franciscus heeft de vrijgevigheid van een onbezonnen dwaas. Geen bedelaar is veilig voor zijn goudstukken! Maar…er zijn altijd meer bedelaars dan hij goudstukken heeft. Bij duizenden liggen ze te sterven bij de stadspoorten, langzaam wegzinkend in vuil, ziekte, honger en stank. Met een grote boog loopt men om ze heen, de zwervers met rottende ledematen en door verzweringen aangevreten gezichten. Op de vlucht voor de afkeer kruipen deze paria’s de bossen in, bossen die een oord van verschrikking worden. De bosbewoner wordt een afschrikwekkend personage uit verhalen die men kinderen vertelt als ze niet wilden deugen! Vanaf de kansel wordt het iedereen toegeschreeuwd: “Help de armen!” Wie het niet doet wacht zelf hel en verdoemenis. En dus geeft iedere rijke iedere dag een bescheiden aalmoes aan zo’n zwerver, maar meer bij wijze van levensverzekering dan uit mededogen.

Hier en daar staat echter iemand op die verder gaat. ’t Wordt allemaal besproken in de lakenwinkel van Bernardone. Bijvoorbeeld die rijke man uit Lyon, Petrus Valdo, die de legende van de heilige Alexius hoorde zingen, en spontaan al zijn geld aan de armen gaf, om voortaan ook als arm man door het leven te gaan. Alexius was door vele ziektes onherkenbaar gemaakt, toen hij aanklopte bij ’t huis van zijn vader. Die bood hem een hoekje aan onder de trap, waar hij bij ’t afval mocht proberen elke dag iets eetbaars te vinden. Alexius stierf tenslotte, en werd als een heilige vereerd. De vader van Franciscus is het met zijn klanten eens, over die zonderling uit Lyon die onder de armen is gaan leven. Het is ’n schande. Alsof er al niet genoeg armen op de wereld zijn.

Er is een ridder die Franciscus mateloos bewondert. Hij komt uit Champagne, heet Gautier van Brienne, en is het heidense Zuid-Italië in naam van de Heilige Moederkerk aan het veroveren.

Franciscus neemt een besluit: hij zal gaan strijden aan de zijde van deze ridder. Zijn vader laat een prachtig harnas voor hem maken, en ’n luxe wapenuitrusting. Als de tengere Franciscus een proefritje maakt in zijn zware maatkostuum komt hij een ridder te voet tegen, een ridder die in de oorlog alles is verloren en er nu armoedig bijloopt in plunje. Zonder een moment na te denken knoopt de jonge ruiter zijn dure mantel los, en geeft hem, samen met zijn wapens, aan de verbijsterde ridder. De volgende ochtend vertrekt Franciscus in een iets minder mooie jas, maar de inwoners van Assisi applaudisseren voor de man die zo hoffelijk is geweest. Samen met een schildknaap reist Franciscus naar Spoleto, en daar overnachten ze.

En dan gebeurt het. Franciscus hoort die nacht een stem die tot hem spreekt. En die hem vraagt wat hij nou eigenlijk gaat doen. Als Franciscus vertelt dat hij een ridder gaat helpen in de strijd, zegt de stem: “Maar wie kan je meer geven? De meester of de knecht?”

“De meester natuurlijk!”

“Waarom zou je dan de meester in de steek laten voor de knecht? Ga maar terug naar de plaats waar je geboren bent, en daar zal je worden gezegd wat je moet doen!”

Franciscus gaat terug. Zijn vader explodeert ongeveer. En Franciscus kan weer terug achter de toonbank van de lakenwinkel… En weer terug naar zijn vrienden, om hun drankjes te betalen. Er wordt weer gelachen, ze eten en drinken weer, ze zitten weer naar hartelust achter de vrouwen aan. Het is midden in zo’n feest dat ze ineens naar Franciscus roepen: “Wat sta je daar nou? Kom nou toch?”

 

Het is midden in zo’n feest dat ze ineens naar Franciscus roepen: “Wat sta je daar nou? Kom nou toch?”

Maar het is gebeurd. Midden in dat armzalige feest is het gebeurd. Franciscus is verliefd geworden, maar niet op een vrouw. Jarenlang is hij voor iets of iemand op de vlucht geweest, en plotseling heeft die iemand hem ingehaald en hem met alle kracht van zijn tedere liefde als met de bliksem getroffen.

Er volgen dagen van uitzinnige vreugde en van uitzinnig berouw.  De oude wereld van Franciscus is in rook opgegaan. Eerzucht, geld, macht, genot – het zijn ineens allemaal van die loze termen geworden. Zijn vader begint zich zorgen te maken: op een avond komt Franciscus thuis zonder hemd aan zijn lijf – aan een bedelaar gegeven!

Kan hij nog gewoon terug naar de lakenwinkel? Het komt niet eens meer bij hem op. Want Franciscus is aangeraakt door iemand die hem nooit meer los zal laten. Die hem zal maken tot de man die we eeuwen later nog kennen: Franciscus van Assisi, zondaar en heilige tegelijk. Als heilige…iemand ver boven ons verheven, maar als zondaar iemand die we zo aan kunnen raken.

Op ’n dag wandelt Franciscus door het land om na te denken over zijn toekomst, als hij een oude en vervallen kerk bereikt: San Damiano. Is het daar dat God op hem heeft gewacht, al vanaf het begin? Onmiddellijk wordt zijn aandacht getrokken door het grote sombere kruisbeeld boven het altaar. De Christus met uitgespreide armen richt de blik in de verte, alsof hij de weg afzoekt, wachtend op iemand. Franciscus valt direct op z’n knieën. Maar heeft hij niet veel vaker kruisbeelden gezien? Er zijn er toch genoeg in Italië! Ja, maar voor Franciscus is deze dag geen gewone dag, en wie weet, misschien zag hij de kruisiging wel voor de eerste keer! Misschien zag hij wel voor ’t eerst wat het eigenlijk heeft betékend! Als zijn hart ineens wordt verscheurd door medelijden en liefde, en hij daar op zijn knieën zit, met stomheid geslagen, het gezicht nat van tranen, hoort hij ineens een stem die zegt: “Franciscus, herstel mijn huis!” Van het hart van Christus stroomt de liefde naar het hart van Franciscus, en weer terug, in een onbeschrijfelijke uitwisseling.

Franciscus besluit eerst een pelgrimstocht naar Rome te ondernemen en daarna ’t kerkje weer op te bouwen. Want zo had ie ’t begrepen. Hoe kan hij weten dat huis met ’n hoofdletter werd bedoeld, en met ‘kerk’ de heilige Kerk van Rome?

Thuis weten ze niet meer wat ze met hem aanmoeten. Is dit ’n nieuwe gril, vraagt zijn broer Angelo? ’t Is maar te hopen. Maar Franciscus blijft bidden op zijn  kamer.

Geld, hij heeft geld nodig om de kerk te herstellen, veel geld. En dan doet hij iets vreemds: in een roes gaat hij naar de winkel van zijn vader en steelt daar de kostbaarste balen stof, die hij op de dichtstbijzijnde markt verkoopt, samen met zijn paard. Dan loopt hij naar de vervallen kerk van San Damiamo. Maar de priester van het kerkje vindt het een verdacht verhaal. Hoe komt die jongeman, die bekend staat als een fuifnummer, ineens aan al dat geld? De priester weigert het geld. Maar biedt Franciscus wel voor een tijdje onderdak in de kerk, als hij hem daarom smeekt.

Lange tijd houdt Franciscus zich er schuil, en niet voor niets. Een briesende en op wraak belustte vader Bernardone is de omgeving gaan afstropen, als hij de diefstal van de balen kostbare scharlaken stof heeft ontdekt. Trillend van angst houdt Franciscus zich schuil. Tot hij zich realiseert: ik moet niet langer laf zijn en me schuilhouden alsof ik me ergens voor zou moeten schamen…en dan komt   Franciscus van Assisi tevoorschijn… bleek en vermagerd, in vodden gekleed loopt hij de stad Assisi binnen. De verwensingen, stenen en modderkluiten lijken hem niet meer te deren…. “Pazzo, pazzo,” roepen ze.

En dan, temidden van de inwoners van Assisi, geeft Franciscus zijn vader de buidel met geld terug, kleedt hij zich uit, werpt zijn kleren naar de briesende vader, en zegt: “Ik kan nu voortaan in alle vrijheid zeggen: Onze Vader die in de hemel zijt – Pietro Bernardone is mijn vader niet meer, en ik geef hem hierbij niet alleen zijn geld terug, maar ook al mijn kleren. Naakt zal ik de Heer tegemoet gaan!” De bisschop, al even ontroerd als de menigte, sluit de jongeman onder tranen in zijn armen en bedekt hem met zijn mantel.

10 April 1206. En zo neemt de kerk bezit van een van haar grootste zonen!

 

Franciscus herbouwt de kerk San Damiano. Simpelweg door de mensen in Assisi om stenen te gaan vragen voor God’s huis. Hij krijgt hele stapels, en weet enkele inwoners zelfs zo ver te krijgen dat ze ‘m komen helpen met de herbouw. En als de kerk eenmaal klaar is, vindt Franciscus met ’t instinct van ’n bever andere bouwvallen…San Pietro, Portiuncula…als die laatste kerk is herbouwd leest een priester er de mis, de evangeliepassage waarin Jezus zijn apostelen uitzendt om te gaan preken. “Geen goud, geen zilver, geen geld; zij mogen geen beurs, geen reiszak, geen brood, zelfs geen stok meenemen voor onderweg…geen schoenen, geen extra paar kleren…” Alweer lijkt ’t of Franciscus  het nu allemaal voor ’t eerst hoort. Hij roept: “Precies, zo wil ik het ook.” Zijn stok, zijn sandalen, z’n jas en zijn leren gordel gooit hij weg. Hij knipt een soort van mantel, uit ruige stof, in de vorm van een kruis. En zo, in God’s wapenuitrusting gekleed gaat hij naar Assisi en begint er het woord te voeren. Met open mond luistert men. Hij drukt zich zo eenvoudig en aangrijpend uit, in zulke rechtstreekse taal… het lijkt wel of hij tegen jou alleen spreekt…hij treft je recht in je hart! Het is zo anders dan de routineuze preken die ze zondags in de kerk horen. Hier spreekt iemand niet vanaf een verheven ambo…hij staat recht tegenover je. Hij heeft er niet voor gestudeerd, maar zijn ziel staat in brand…en het vuur straalt uit naar iedereen die hem hoort. Een voor een sluiten ze zich bij hem aan: Bernardo da Quintavalle, doctor in de rechten, geeft alles wat hij bezit weg aan de armen, op ’t grote plein van Assisi. Pietro di Catanio, ook ’n jurist, doet hetzelfde, net als priester Silvestro. Ook Egidio, een man van het platteland, die over Franciscus heeft horen spreken, sluit zich onderweg bij hem aan. En zo trekken ze door Italië, twee aan twee, in hun bruine pijen… Echt makkelijk hebben ze het niet. Want de groep van tien wordt even vaak bespot als vereerd. En alleen iemand met de uitstraling van Franciscus kan de moed erin houden. Vinden zijn broeders het nog steeds genant om te bedelen? Dan doet ie het nog eens voor. Willen ze leren bidden? Dan leert hij ze bidden tot ze erbij neervallen, en tot ze ’t net zo kunnen als hij: zingend!

In 1209 is paus Innocentius de Derde in de kracht van zijn jaren. Hij komt uit een adellijke familie die maar liefst negen pausen voorbracht en beschouwt zich als een gezalfde des Heren, de absolute heerser over zowel de geestelijke als de wereldlijke machten. Als Franciscus in Rome toestemming komt vragen om met zijn groepje vriendelijke anarchisten christen te mogen zijn volgens die ene regel van Lucas: “Wie achter mij aan wil komen verloochent zichzelf, neemt zijn kruis op en volgt mij…”, als hij daarvoor in Rome aanklopt bekijkt de Paus de verzameling lompen met walging en zegt: “Broeder, ga maar liever varkens hoeden. Want daar lijkt u meer op dan op een mens…” En wat doet Franciscus? Hij buigt het hoofd en zoekt zo snel hij kan een kudde varkens om zich bij hen in de modder te wentelen tot hij van top tot teen smerig is…en zó gaat hij terug naar Innocentius. Die is verbijsterd over zoveel kinderlijke gehoorzaamheid, en zegt op wat mildere toon: “Gaat u zich wassen en laten we dan verder praten.”

“Wie achter mij aan wil komen moet zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen, en mij volgen.”

Zou zo’n groepje bedelaars de wanorde in de Kerk niet vergroten, vraagt de paus zich af. Maar een kardinaal werpt tegen: volhouden dat die regel niet in de praktijk te brengen valt betekent het evangelie ontkennen en Christus lasteren! Franciscus krijgt de toestemming om zijn broederschap te stichten, en de officiële pauselijke toestemming om te gaan preken!

Franciscus preekt of zijn leven ervan afhangt, en dat van ons allemaal erbij. Hij is onstuimig verliefd op God, en dat niet alleen: hij vertelt ook iedereen die het horen wil dat God verliefd is op ons! En dan begint ie ineens te huilen! Hij huilt van liefde, en de vrouwen beginnen ook te huilen…de vrouwen het eerst, en daarna de jongemannen… Dit is niet de theatrale retoriek of de schijnheilige verontwaardiging van priesters die ook deze week een preekje hebben voorbereid, nee…deze kleine man toont ontroostbare droefheid en dan een plotseling opvlammende hartverscheurende tederheid, alsof hij kinderen van wie hij zielsveel houdt kwijt zal raken! En als hij geen woorden meer vindt begint hij gebaren te maken, het gezicht nat van tranen. Massale bekeringen zijn ‘t, in die jaren 1208… 1209…1210… Er worden twee hutjes gevonden met een afdak ertussen, aan de bedding van een stroom, de Rivo Torto. De Franciscaanse gemeenschap woont er, tevreden met niets, tot een boer in 1211 zijn ezel de hut injaagt, en hen verjaagt. In Subasio krijgen ze dan een kapel ten geschenke, met ’n stukje grond er omheen, midden in het bos. Er worden meer hutjes gebouwd, tot er een ideaal toevluchtsoord is ontstaan, een klooster waar iedereen zich thuisvoelt.

Het is een bont gezelschap, soms bijna clownesk van vrolijkheid, dronken van geluk in totale armoede en zelfverlooche-ning. Zo is er Giovanni de Simpele. Hij neemt het navolgen van Franciscus wel érg letterlijk. Ziet hij Franciscus een kniebuiging maken, dan maakt hij er ook een. Hij gaat zover dat hij al diens gebaren imiteert. Als Franciscus bij het bidden zijn handen opheft en zuchten slaakt, kan hij er zeker van zijn dat op twee passen afstand Giovanni de Simpele op precies dezelfde manier de handen ten hemel heft en zuchten slaakt. Het is nou eenmaal de veiligste weg om een goed religieus te worden, verdedigt Giovanni zich. Franciscus leert ermee leven. Het belangrijkste is…de droom uit zijn jeugd is uitgekomen: hij hééft zijn ridders van de ronde tafel, en samen verslaan ze de draak die duivel heet!

Het Franciscaanse ideaal straalt met glans. Van alle kanten zien de dorpen en gehuchten de vrolijke broeders in hun ruwe pijen opduiken; ze zingen uit volle borst, of doen kunstjes om de aandacht te trekken en hun de Blijde Boodschap te verkondigen. De beweging groeit. Elk jaar verdubbelt zich ‘t aantal broeders en zusters. Het is een tijd die nooit meer helemaal zo terug zal komen, zoals jeugdige hartstocht nu eenmaal eenmalig is.

Later zal men de Franciscanen proberen te organiseren tot een modernere orde. De Arme Vrouwen krijgen door de paus het recht op eigendom opgedrongen…en terugkerend van een reis ontruimt Franciscus een nieuw onderkomen van zijn broeders, omdat het een pronkzuchtig gebouw is in plaats van een bescheiden convent. Maar hij is aan het eind van zijn krachten. De dagelijkse leiding van de Franciscanen komt in handen van een soort manager,die de broederschap reorganiseert tot een modernere orde, en de inmiddels blind geworden Franciscus kan alleen nog maar zwijgen. Nog één keer roept hij uit: “Wie heeft toch mijn regel verscheurd?” Want zelfs zijn grondregel voor de Franciscanen, over armoede en zelfverloochening, vindt men te streng. De leefregel moet aangepast worden aan de heersende, lossere normen, om de broederschap te kunnen redden. Waarom zou je dan niet te paard kunnen reizen, of iets mee kunnen nemen op je reis, proviand of zo? Franciscus buigt, ontgoocheld.

In de winter van 1225 op ’26 moet de man die altijd in het Licht heeft gestaan wegkruipen in een grot omdat zijn brandende ogen geen licht meer kunnen velen. Franciscus heeft last van brandende zenuwpijnen, zijn maag en lever zijn aangetast. In de ochtend van 3 oktober 1226 overlijdt Franciscus van Assisi.

In de avondschemering daalt er een vlucht leeuweriken naar omlaag en zingt boven de cel waar Franciscus ligt. Leeuweriken zingen uitsluitend ’s ochtends, maar soms kunnen vogels het nodig vinden een uitzondering te maken!  De overleden Franciscus wordt naar de San Giorgio gebracht om daar begraven te worden, in een wereld vol herinneringen. Waar op de muren nog het verhaal staat van de heilige ridder Joris, die de draak versloeg.

Share This

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *