Route 5 – Vincent, Verblind Door Het Licht

Vincent2

Als Vincent van Gogh zichzelf een kogel door de borst schiet heeft hij alles geprobeerd, maar in zijn hele leven is er één artikel aan hem gewijd en heeft één man vrijwillig een schilderij van hem gekocht. En zelfs tot na de Eerste Wereldoorlog blijven de calvinistische deftige Nederlanders de schilderijen van Van Gogh veel te scabreus vinden. De achtenswaardige Johan de Meester schrijft in de NRC: “Van Gogh kon helemaal niet schilderen. Hij was liederlijk. Hij smeerde een schilderij in twee uur in elkaar.”

Adema van Scheltema, dichter, criticus en socialist: “Hij heeft mensen geschilderd als krankzinnige dieren, met alles, alles op het gelaat dat van de duivel is, en waarbij tranen ons in de ogen springen van woede over wie dát heeft durven doen. Hij heeft aardappels en schoenen geschilderd, die krenken om de dierlijke, onbehouwen, onmenselijke hartstocht, waarmee ze werden aanschouwd en geschilderd, op een manier, zo grenzeloos hoogmoedig, alsof hij ze zelf had geschapen; hij heeft bloeiende bomen geschilderd, waarvan iedere bloesem onze ziel beledigt, om het beestachtige egoïsme, waarmee hij ze heeft aangezien.”

 

Goedemiddag, welkom bij Route 5, met vanmiddag deel 2 van de reis die Vincent van Gogh ruim een eeuw geleden maakte naar het licht. Een licht dat hem zou verblinden tot in het diepste van zijn ziel. Deel 1, over de Brabantse boerenschilder Van Gogh, is te lezen en te beluisteren via Internet, op www.route5.nl. En vanmiddag volgen we Vincent op zijn reis naar Antwerpen, Parijs en Arles. Een reis die 4 jaar zal duren, van zijn 33ste tot zijn 37ste, en waarop zijn beste werk zal schilderen. Van de 876 schilderijen die hij in zijn leven zal maken, maakt hij er 536 in Frankrijk. 226 in Parijs, 189 in Arles, 143 in St.Remy en tenslotte 78 in Auvers-sur-Oise.

 

Juli 1880, brief aan Theo: “Je kunt een groot vuur in je ziel hebben, en niemand komt er zich aan warmen, en de voorbijgangers zien niets dan een beetje rook boven uit de schoorsteen komen, en gaan huns weegs.”

Toch schildert Vincent door, bezeten, obsessief, en hoe meer zijn burgerlijke Brabantse omgeving met argwaan reageert op dat in lompen geklede schildersmenneke, hoe meer hij vanuit zichzelf gaat schilderen. Steeds meer gaat hij zich afzetten tegen de hypocrisie om hem heen, en hij doet dat door alles wat hij schildert, of het nu een armetierige wever of een knotwilg is, niet meer op zijn zondags te schilderen, op zijn voornaamst en voordeligst, zoals de mensen het graag zien, maar bezield en oprecht, met al zijn lelijke en duistere kanten.

 

Van Gogh is al in Brabant een schilder die denkt als een expressionist. Nuenen, juli 1885, brief aan Theo: “Zeg tegen Serret dat ik wanhopig zou zijn als mijn figuren goed waren (leken), zeg hem dat ik ze niet academisch correct wil, zeg hem dat ik bedoel dat als men een spitter fotografeert dat hij dan zeker niet spitten zou. Zeg hem dat ik de figuren van Michel Angelo prachtig vindt, al zijn de benen bepaald te lang, de heupen en billen te breed. Zeg hem dat in mijn oog Millet en Lhermitte daarom de ware schilders zijn, omdat ze de dingen niet schilderen zoals ze zijn, doch zoals zij ze voelen.

Met zijn broer Theo, die bij de gerenommeerde kunsthandel Goupil in Parijs werkt, heeft hij een pact gesloten: Theo zal zijn oudere broer Vincent onderhouden – hij zal hem iedere maand 150 francs sturen en in ruil daarvoor zal Vincent hem zijn schilderijen sturen. Op die manier hoeft de arme schilder zich niet te schamen voor de protectie die zijn liefhebbende broer hem biedt; en wie weet, kan Theo ooit nog eens iemand voor Vincent’s probeersels interesseren.

Er ontstaat een levendige briefwisseling tussen de broers, al vanaf 1872, als Vincent 19 is en Theo 15…tot aan Vincent’s dood in 1890. Bijna wekelijks wordt er geschreven. Vaak zijn het regelrechte aanmaningen, als Theo het geld niet op tijd heeft verstuurd. Ook krijgt Vincent soms kritiek op zijn werk, en dan wentelt hij zich vele alinea’s lang in het leed dat de wereld hem heeft aangedaan. Maar een brief later zal een deemoedige Vincent zijn broer al weer laten weten dat hij alle goede raadgevingen heeft opgevolgd, en dat hij weer een stapje verder is gekomen in het leerproces.

 

Nuenen, oktober 1884: “Gij weet niet hoe verlammend dat is, dat staren van een blank doek, dat tot de schilder zegt: Gij kunt niets; het doek heeft een idioot staren en biologeert sommige schilders zo, dat ze zelf idioot worden.”

Het mooiste zijn de passages waarin Vincent van Gogh in brieven aan zijn broer beschrijft hoe hij met zijn schildersoog de wereld om zich heen ziet. Je kunt je het schilderij dat erop zou volgen bijna al voor de geest halen, als Vincent schrijft: “Het is buiten triest, de velden een marmer van klonten zwarte aarde en wat sneeuw, meestendeels enkele dagen daartussen van mist en slijk, de rode zon ’s avonds en ’s morgens, kraaien, verdord gras en verlept rottend groen, zwarte bosjes en de takken van de populieren en wilgen nijdig als ijzerdraad tegen de trieste lucht.”

Vincent noemt zich in zijn Brabantse jaren een boerenschilder. En schets na schets oefent hij op boeren, wevers en spitters, die tegen een kleine vergoeding wel zijn model willen zijn.

“Ik ben aan het zoeken naar blauw. De boeren dragen hier in de regel blauw. Tegen de achtergrond van het rijpe koren of de dorre blaren van een beukenheg worden de verschoten nuances van donkerder en lichter blauw weer levend gemaakt en aan het praten gebracht door de tegenstelling met goudtonen of roodbruin.

Nuenen, 20 januari 1885: ”We hebben nu prachtige avondluchten van lila met goud boven tonige silhouetten van de woningen tussen de massa’s hakhout, dat een rosse kleur heeft, waarboven ijle zwarte populieren uitsteken, terwijl de voorgronden verschoten en verbleekt groen zijn, gevarieerd door stroken zwarte aarde en dor bleek riet aan de slootkanten.”

 

“Wie bent u eigenlijk?” De vraag wordt gesteld door het hoofd van de afdeling schilderen aan de Antwerpse Academie, die zich ergert aan de verwoed werkende leerling, die zijn linnen met grote halen bewerkt en zelf onder de verfspatten zit.

“O,” heeft de leerling geantwoord: “Ik ben Vincent van Gogh uit Holland.”

Vincent is na de dood van zijn vader uit Nuenen vertrokken. De dorpelingen begonnen hem na te wijzen – een domineeszoon in lompen! Toen een van de vrouwen die hij had geschilderd voor zijn Aardappeleters in verwacht bleek, zei men dat het rooie schildersmenneke het wel gedaan zou hebben. De pastoor, die naast het atelier woonde waar Vincent werkte, was zijn parochianen zelfs geld gaan bieden als ze zich niet meer zouden overgeven aan de godslasterlijke activiteit om voor die rare vent te komen poseren.

In Antwerpen liet hij de dorpse kleinburgerlijkheid achter zich. Daar spatte de Vlaamse geest uit de pinten. In de musea hing Rubens, Rembrandt, Braekeleer, Leys, De Cock. Op straat waren de heren en de dames, de handwerklieden, zeelui van allerlei slag, de slempers en de hoeren…en dat liep allemaal zomaar kriskras door elkaar. En dan was er dus die lillijke rooie Brabander met zijn eeuwige muts en pijp, die daar rond liep en die keek, en keek, en keek…

“De vrouwen die ik hier zie maken een fameuze indruk op me, meer nog om ze te schilderen dan om ze te hebben…hoewel ik het eerlijk gezegd allebei wel zou wensen.”

Vincent werkt en werkt… Hij tekent klassieke torsen, de Grote Markt, de haven… Hij werkt haastig en bezeten, veel verscheurend, telkens opnieuw beginnend. Zijn medeleerlingen verbazen zich over hem. Wie is dat wazig en weerzinwekkend wezen hier op de deftige Academie? Hij geeft de Venus van Milo de heupen van een Vlaamse deerne! En de man die de Aardappeleters heeft gemaakt, wordt vervolgens een klas terug gezet!

Het is nooit anders geweest: mensen hebben altijd kunst gewild die je al kende, en die je daarom kon respecteren. Omdat die kunst de wereld vertaalde zoals hij was, of hem nog mooier maakte. Mensen hebben altijd korte metten gemaakt met kunst die schokte, verbaasde of aan het wankelen bracht. Met kunst die godlasterlijk was in zijn poging het eeuwige leven al hier op aarde na te streven. Daarom werd Socrates vergiftigd, Abélard gecastreerd, Dante verbannen, daarom moest Gauguin vluchten, werd Cézanne in het kluizenaarsschap gejaagd, daarom raakte Hercules Seghers aan de alcohol en pleegde Vincent van Gogh zelfmoord.

 

Maar voorlopig leeft hij nog, en zal hij een tijdje bij Theo gaan logeren. Op Montmartre, voor bohemiens een oord van wellust, voor pelgrims een oord van boetdoening. En op deze heuvel van Parijs, waar dus hemel en hel tegen elkaar aanleunen, daar staat aan de Rue Lepic 54 Vincent voor de deur van zijn broer en klopt aan. Het wordt een lange logeerpartij… ’s avonds eten bij Chez Bataille, waar ook Lautrec en Millet vaak komen…’s nachts lange gesprekken in plaats van brieven schrijven, gesprekken tot aan de ochtend. Theo is het vaak, met zijn zwake gezondheid teveel, maar het ontgaat Vincent totaal. Er gebeurt teveel met hem, het moet eruit. En hij wil ze allemaal ontmoeten, al zijn helden van het witte schildersdoek, de impressionisten. Ze wonen tenslotte allemaal in Parijs.

Een bevriend schilder, Emile Bernard, beschrijft de vreemde vogel die in Parijs is neergestreken. “Rossig haar, een geitensikje, wat wilde snorharen, een baret van geschoren vilt op het hoofd, met adelaarsblik en een mond als een inkerving…levendig gebarend en met een afgemeten tred…altijd die pijp in de mond…altijd een doek, een karton of een gravure bij zich. Heftig bij discussies, eindeloos bij het uitleggen en ontwikkelen van ideëen…weinig toegankelijk voor tegengestelde opvattingen…en altijd die dromen van hem, oh, die dromen van hem…”

Vincent van Gogh rent als een wildeman heen en weer, van Rafaelli naar Pissaro, van Toulouse Lautrec naar Guillaumin, en van Cormon naar Emile Bernard. Wat een totaal andere paletten! Ze pointilleren! Ze hebben nieuwe wetten ontworpen! En dan, in die twee jaar Parijs, gebeuren er wonderlijke dingen met Vincent. Het Brabantse boerenbruin zal in de nevels verdwijnen, en er zal een nieuwe waaier van kleuren op zijn palet ontstaan, dat hem in het Zuidfranse Arles tot de mooiste schilderijen zal brengen. Schilderijen met een nieuw licht…een licht dat hem uiteindelijk zal verblinden.

“O! Die verrukkelijke zomerzon hier. Het gaat je in je kop zitten en ik twijfel er niet aan dat hij je ook gek kan maken,” schrijft Vincent een bevriende Parijse schilder. Voor 15 francs per maand huurt hij een huis aan de Rue Lamartine. Het gele huis, waar hij ongeveer alle schilderijen zal maken die onsterfelijk zijn geworden. Schilderijen waarop de bruinen en grijzen van aarde, modder en mist hebben plaatsgemaakt voor felle Mediterrane kleuren.

Arles, 14 maart 1888: “Wat het werk betreft – ik heb vandaag een doek gemaakt van een Ophaalbrug, waarover een rijtuigje rijdt, afstekend tegen een blauwe hemel. Oranje-achtige, met groen bedekte oevers, een groep wasvrouwen met bonte jakjes en mutsen.”

De twee jaren Parijs zijn geen werkjaren geweest voor Vincent van Gogh. Het zijn jaren geweest van praten, kijken, discussiëren, geïnspireerd raken…de accu opladen.

En nu, in Arles, begint hij als een waanzinnige te werken. Op jacht naar de rayon blanc, het witte licht. De Ophaalbrug, Gezicht op Saintes-Marie, De Oogst, Zonnebloemen, De Zaaier, De Slaapkamer, Zelfportret, het Nachtcafé, de Postbode… “Ik heb nu tien Boomgaarden, maar ik moet opschieten, want ze zijn hun bloesem aan het verliezen,” schrijft een opgejaagd schildermenneke aan zijn broer in Parijs. En enkele maanden later, als de zomer de natuur van de Provence in vuur en vlam zet: “Alles is nu gedrenkt in oud goud, brons, koper zou je zeggen, met daar overheen het azuurgroen van een withete hemel. Ik heb een nieuw motief onder handen: onafzienbare gele en groene velden…”

In een schilderij als Nachtcafé lijkt na de roes van licht en kleur voor het eerst de angst door te sijpelen voor de andere kant van het bestaan. “Het is een plaats waar men zich kan ruïneren, gek worden, misdaden plegen,” schrijft Vincent aan zijn broer. En met ‘men’ bedoelt Van Gogh dan niet in de laatste plaats ‘zichzelf’. Hij is nu eenmaal geen schilder die vanaf de zijlijn toekijkt; hij neemt deel. Zat hij bij de Aardappeleters aan tafel, in het Nachtcafé drinkt hij mee, goedkope wijn en blindmakende absint. Hoe konden anders de drie lampen in het café zulke vervaarlijke draai- en slingerbewegingen maken?

In eenzelfde roes van dronken razernij ontstaat er een ruzie tussen Vincent en de schilder Paul Gauguin, die bij hem ingetrokken is, maar al snel weer wil vertrekken, omdat hij Vincent niet helemaal vindt sporen. Het komt tot een uitbarsting als Gauguin een portret van Vincent maakt terwijl die de zonnebloemen aan het schilderen is. Van Gogh schrikt als hij het resultaat ziet. “Ik ben het wel,” roept hij uit, “maar dan gek geworden.” Als Gauguin hem de waarheid wil vertellen grijpt Van Gogh een scheermes en wil hem daarmee te lijf gaan. Uiteindelijk keert hij zich in zijn aan waanzin grenzende agressie tegen zichzelf, en snijdt een stuk van zijn eigen oor af. Zijn vriend, de postbode Roulin, vindt hem bloedend op bed, en laat hem naar het ziekenhuis brengen. Ook in Arles, net als in Nuenen, beginnen de mensen nu over hem te roddelen. En ze zullen niet rusten voor die gevaarlijke rooie gek zich vrijwillig laat opnemen in een inrichting vlakbij Arles, in Saint-Remy de Provence.

Zolang het goed ging met Vincent van Gogh schilderde hij zonnebloemen, in alle soorten en maten. Maar dan komen de kraaien, de voortekenen van de dood. Soms komen ze bij verrassing, als hij ze niet verwacht had, bij het vredig schilderen van een korenveld onder de volle zon. Ze blijven komen, en het zijn er steeds meer, als vroege voorboden van Alfred Hitchcocks’ The Birds.

Maar ook zijn grootste vriend, de zon, wordt tot een vijand. Hij kijkt niet langer naar de zon, maar de zon bekijkt hem. En veroordeelt hem. De zwarte schaduw die de zon achter hem werpt is als een demonische dubbelganger; dat is het duistere silhouet van wat er uiteindelijk van hem zal overblijven.

Arles, 19 maart 1889: “Ziehier de waarheid: een aantal mensen van hier hebben burgemeester Tardieu een petitie gestuurd (er waren meer dan tachtig handtekeningen) waarin ze mij aanduiden als iemand die niet in vrijheid hoort te leven. De commissaris van politie heeft daarop bevel gegeven mij opnieuw te laten interneren.”

Zoals hij eerder door de inwoners van Nuenen het dorp werd uitgekeken, zo hebben nu ook de bewoners van Arles hem uit hun stad verjaagd. In zijn hersenkoorts, zoals Van Gogh zijn aanvallen van krankzinnigheid zelf noemt, hebben zijn gedachten al over heel wat zeeën gekoerst. Nu mag hij, in het gesticht in St.Remy, af en toe naar buiten om te schilderen, met een bewaker erbij. Hij schildert zijn Zaaier, met de zon als een kolossale gele bal erachter, als een aureool om het hoofd van de landarbeider. Maar de horizon loopt scheef, en de zon lijkt van links naar rechts te gaan rollen. In de Laan met Cypressen lijkt de weg wel een golvende zee, in het koren woedt een verschrikkelijke storm.Aan de hemel wentelen twee zonnen die alleen verdwaasde alchemisten zo zullen hebben gezien. De natuur begint te buigen en te barsten. De arabesk verschijnt, de golvende lijn, en zal de doeken gaan beheersen. Vincent van Gogh, op de toppen van zijn genie beland, staat oog in oog met de zinderende oerkracht van het universum, dat in hem is gevaren. En hij is verbijsterd teruggeweken, verblind door het oneindig licht.

 

Het is volbracht. Staande op het randje van de afgrond heeft Vincent de wereld zijn schilderijen gegeven en daarmee zichzelf. Nog 69 dagen zal hij in Auvers-sur-Oise wonen, een dorpje vlakbij Parijs. Een spoorwegarts en kunstminnaar, dokter Gauchet, zal hem in de gaten houden. Ze moeten om hem lachen, om dat rooie mannetje, dat met een kruiwagen vol schilderijen naar de kruidenier gaat en vraagt of hij het kan ruilen tegen wat brood en een fles wijn. Er zullen doeken van Vincent van Gogh gebruikt worden om er kippenhokken mee af te schermen. En nog een keer zal het slapende dorpje opschrikken als er bij het kerkje een schot klinkt.

Theo zit naast zijn bed, in de twee dagen dat Vincent nog leeft. Als hij op een gegeven moment naast hem kruipt, en Vincent zijn hoofd op Theo’s borst kan leggen, net als vroeger, toen ze samen een bed deelden in de pastorie van Zundert, dan fluistert Vincent: “Kon ik zo maar wegzakken en er niet meer zijn.” In de vroege ochtend van 29 juli 1890, nog voor het eerste licht over de korenvelden valt, breekt zijn leven af. “Aan het verdriet komt nooit een einde,” is het laatste wat hij nog kan uitbrengen. Een half jaar later overlijdt ook Theo. Samen liggen ze bij het kerkje begraven.

“Je kunt een groot vuur in je ziel hebben, en niemand komt er zich aan warmen, en de voorbijgangers zien niets dan een beetje rook boven uit de schoorsteen komen, en gaan huns weegs.”

 

Share This

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *